|
Bali Bacchanaal Bali2001
Arne's blik op een bewogen maar zeer geslaagde week
Wij hadden al zo vaak de dromen besproken. “We gaan met z’n allen naar Timboektoe!”. “We gaan met z’n allen naar Verweggiestan”. Maar uiteindelijk kwam het telkens op hetzelfde neer: De enige plaats waar we uiteidelijk met z’n allen naar toe gingen was onze stamkroeg De Uyl in Leiden. Vorige kerst, terwijl ik in Nederland was, kwam er weer zo’n ‘met z’n allen’ droom op tafel. Maar dit keer was het anders: Iedereen had inmiddels een baan, dus kon iedereen dit soort reizen wat makkelijker betalen dan toen we (semi)studenten waren. Iedereen was overigens ook vrijgezel, wat het makkelijker maakte om de tassen te pakken en echt te gaan.
De maanden erop gingen tal van emails heen en weer en werden de plannen om met z’n allen op vakantie te gaan wat concreter. We kozen voor Bali. Vanwege de cultuur natuurlijk. Om het ergste toerisme een beetje te ontwijken kozen we voor Kuta, wat niet zo toeristisch is.
(Arne’s Crowded Planet guide: Intro to Kuta
Kuta is een kruising tussen Benidorm en Costa del Sol, maar dan aan de andere kant van de evenaar. Als je goed zoekt, dan kan je, als je geluk hebt, in Kuta nog een echte indonesiër zien. Kuta heeft 25 officiële talen: Engels, Duits, Nederlands, Frans, Deens, Noors, Italiaans, Spaans, Zweeds, Portugees, Russisch, Chinees, Japans, Arabisch, Turks, Swahili, Papiamento, Mongools, Hongaars, Grieks, handgebaren, lonkende blikken, brullen, ‘the international language of loooove’ en kotsen. In Kuta heerst een strikt nageleefd kledingvoorschrift: Surf short, zwaar verbrand en ontbloot bovenlijf met veel te weinig borsthaar en/of spieren, blote voeten of sloffende slippers, ongewassen haar, een tattoo en een surfplank onder de arm. Ga je boodschappen doen? Surfplank mee! Voor de vrouwen geldt een iets andere kledingvoorschrift: Weinig-tot-de-fantasie-overlatende bikini, cupsize b terwijl je eigenlijk cupsize dd hebt zodat de boel er gezellig overheen puilt, sarong of rokje, tattoo op een arm, tattoo onder de navel, tattoo op een enkel, tattoo op een voor zeer (hoewel..) select gezelschap te bezichtigen plaatsje, twintig piercings en tal van andere trendy lijfversieringen waar je op je vijfenveertigste spijt als haar op je hoofd van krijgt en vooral een blik in de ogen waaruit blijkt dat de toekomst waarover je je zorgen maakt hooguit vijf minuten verder is. Voorlopig zijn deze meisjes echter geen vijfenveertig, maar vijfentwintig en vinden deze zeven hollandse jongens het allemaal zeer interessant. Maar dit alles even terzijde.)
Naarmate de vertrekdatum dichterbij kwam werd iedereen nerveuzer en begonnen we allen onze duikbrillen vast op te poetsen en onze zwembroeken aan de laaste mode te toetsen. Jeroen was na zijn bezoek aan Singapore al naar Bali gevlogen waar hij Mark Scheltes (die wij liefkozend Herman noemen) vast zou ontmoeten om een week vooronderzoek te doen naar leuke bezienswaardigheden, culturele uitstapjes, interessante plaatsen en ontmoetingspunten (allen synoniem voor kroeg). Er werd afgesproken elkaar in de bar Tubes te ontmoeten, aangezien we allemaal op andere tijden aan zouden komen.
Vrijdag. Vermoeid maar blij komt Rob na twaalf uur vertraging door de douane van Changi Airport lopen, nadat eerst de Singapore Airlines Boeing met schade in Amsterdam naar de hangaar was gesleept en de daarop gecharterde KLM vertraging opliep omdat een dronken vrouw en haar bagage van het toestel verwijderd moesten worden. Ik ben dolblij dat hij er is, maar we vinden het beide jammer dat er zoveel vertraging was. We waren tenslotte zo enthousiast dat Rob voor ons vertrek naar Bali nog een dag in Singapore kon besteden, maar die dag is nu al bijna over. We zitten er verder niet over in en rijden naar huis, waar we Rob’s spullen dumpen en een koud blikje Tiger bier open trekken.
“Ahhh”, zegt Rob na zijn eerste slok. Hij kijkt vrolijk rond in de huiskamer.
“het is net of ik weer thuis ben”.
Even later rijden we naar Holland Village waar we in het nieuwe IndoChine restaurant Siem Reap een echte Cambodjaanse maaltijd eten.
Zaterdag. Om half zes ‘s ochtends gaat de wekker. Vermoeid kruip ik uit met bed. Het is gisteren weer laat geworden en hebben wij naast de nodige biertjes ook nog een fles Whiskey lastig gevallen. Terwijl ik me sta te douchen ruik ik vanuit het openstaande bovenlicht in de douchecel de zoete geur van de Singaporese ochtend. Ik voel een lichte tinteling in mijn buik: vandaag vertrekken we naar Bali. Over een paar uur zit ik in Kuta met bijna al mijn beste vrienden uit Holland. Geweldig.
Ik haal tijdens het scheren mijn halve kaak open en zit even later met mijn smoel vol stukjes pleepapier in de auto op weg naar Changi, waar ik Mark Uppelschoten ga ophalen. Hopelijk heeft hij niet hetzelfde probleem als Rob, anders kom ik voor niks zo vroeg mijn bed uit.
“Schatje!” hoor ik ineens achter mij. Schatje is al jaren onze welkomstgroet, of het nou aan de telefoon is of bij een ontmoeting, bij onze club is iedereen iedereens schatje.
“goed je te zien, Kerel”, zeg ik terwijl we elkaar omhelzen.
We rijden terug naar Parc Palais waar Rob inmiddels ook wakker is geworden, en terwijl Up een biertje drinkt, zet ik voor Rob en mijzelf een kop verse Hollandse koffie.
“Zo, hoe is’t nou in Holland?” vraag ik aan Up.
“Takkeweer”.
“Hi gorgeous”, kus ik Sherren gedag. Zij zit met haar ‘oom’ bij Deli France op Scott’s Road een kop koffie te drinken. Ik introduceer haar aan Rob en Mark, en wij besluiten vervolgens met z’n vieren te gaan lunchen in de sushi bar in The Paragon. Sherren heeft niet veel tijd, want ze vertrekt straks naar Jakarta waar ze naar een begrafenis moet. Wij hebben overigens ook niet veel tijd, want wij vertrekken straks naar Kuta, om een wel heel andere reden.
“We moeten er vandoor”, zegt Rob. Hij vliegt samen met Up twee uur eerder dan ik.
Rond acht uur ‘s avonds landt mijn Garuda vlucht in Denpasar. Ik heb me altijd afgevraagd waarom dit het vliegveld van Denpasar heet, aangezien de landingsbaan midden in het centrum van Kuta eindigt. Ik zoek mijn tas en neem een taxi naar de afgesproken plek. Daar staan we dan: Zeven stralende gezichten in het neon-verlichtte steegje Poppies Lane: Jeroen, Herman, Up, Alex, Rob, Olivier en ikzelf. We gooien onze tassen in de kamer van ons guesthouse en lopen snel naar de Sari Club, want dit moet gevierd worden.
“Tujuh Bintang besar!” roep ik naar de barkeeper, om geen misverstanden te laten ontstaan dat wij vanavond feest vieren. Even later staan zeven beslagen flessen Bintang bier op het tafeltje voor onze neus en reken ik af. Met een grijns vergelijk ik de prijs met die in Singapore, waar je voor zeven halveliterflessen bier een bankgarantie nodig hebt.
“Het sterft hier van de lekkere wijven”, wordt mij toevertrouwd. Ik mag echter alles weer zien van de dokter dus het was mij ook al opgevallen. Het duurt niet lang of de pioniers onder ons staan op de dansvloer de ‘handel’ te keuren. Aangezien ik nog steeds niet over mijn allergie voor dansen heen ben gekomen blijf ik, onder het genot van een nieuwe fles bier, het fort verdedigen. Olivier staat met een glimlach naast me met mee mee de drukte in te staren. “Het sterft hier inderdaad van de lekkere wijven”, bevestig ik.
Later lopen we volstrekt toeter terug naar ons guesthouse. (betonnen hok met jaren ’30 bed. Het kost niks, maar dan heb je ook niks)
Zondag. Ik heb me altijd voorgenomen nooit deel uit te maken van de gigantische club Hollanders die het woord Toerisme een nieuwe betekenis geven: half Holland coloniseert in de zomermaanden de zuidkust van Frankrijk, in Opel stationwagons (Garfields op de ruiten gezuignapt) en een bolbepakte sleurhut erachteraan. De andere helft zorgt voor Schiphol’s groeidrang door met aangestampte Boeings naar Spanje en de eilanden daaronder te spetteren, en de 48 weken per jaar dat ze geen vakantie hebben te kankeren op de aanleg van een nieuwe startbaan. De derde helft stilt hun ikhebookgebekpektdrang door met de verplichte afritsbroeken en hypermoderne Jezusnikes naar verre oorden te reizen, om zich aldaar alsnog te gedragen als de andere twee helften van de Hollandse bevolking. (Applaus na de landing!! Je schaamt je als rechtgeaarde Hollander toch je ogen uit je kop?).
Hier zit ik dan toch met mijn witte, halfzwangere buik op het strand van Kuta met een bier in mijn hand en een sigaret in mijn mond. Het ergste is nog dat mijn 6 beste vrienden er getuigen van zijn, waardoor ik later nooit kan ontkennen dat ik ook ‘zo’n’ toerist ben geweest.
En fin, het strand van Kuta dus...
“Necklace sir, only ten thousand…”
“no thank you” (vriendelijk glimlachend)
“Blowpipe sir, good price”
“no thank you” (vriendelijk glimlachend)
Etcetera.
De plaatselijke Bintangbierverkoper is zo blij met ons dat ‘ie vraagt of iemand van ons zijn dochter wil trouwen. Herman is gelijk wakker.
“Ah, neuken?”
“Nee Herman, trouwen!”
“Oh.”
Dinsdag. Duiken in Tulamben. Ik word wakker met een om een onverklaarbare reden opgezwollen en gekneusde voet. Ik kan amper lopen, laat staan duiken. Maakt niet uit. Ik heb honderden dollars besteed om in Kuta te komen om hier te gaan duiken, zit vervolgens vier uur in een hobbelig en oncomfortabel busje om in Tulamben te komen, het is de enige kans om met al mijn vrienden te duiken, maar dat gaat nu gewoon even niet door. In plaats daarvan ga ik gewoon alleen op het terras zitten en een oude indonesische krant lezen terwijl alle anderen wel de meest spectaculaire duiken maken. Niks aan de hand.
KUT!
En dan de ultieme kwelling achteraf.
“Aaaah, het was echt fantastisch!”
“Hé Arne, we hebben een haai gezien!”
“Heb je die school Baracuda’s gezien, Up?”
“Jezus, wat was dat scheepswrak gaaf, hé Alex?”
en Annabel’s bezorgde opmerking...
“How are you feeling, sweetie?”
“I’m feeling KUT!”
Achteraf ben ik nog niet het slechtste af. Rob, die al een aantal maanden niet helemaal fit is, krijgt enorme pijn in zijn buik- en rugstreek en vertrekt met een aantal pijnstillers naar bed. Niet veel later volgt de rest, aangezien in Tulamben boven water geen moer te beleven is.
Woensdag. Verheugd kijk ik onder de dekens naar mijn voet, maar de enorme homp vlees die ik daar aantref geeft al snel weg dat het ook vandaag weer een terrasdag wordt. Uit pure ontevredenheid ga ik de rest van de dag dan ook niet beschrijven. Takkepoot!
Donderdag. Terug in Kuta. Niet gedoken dus, althans... IK niet.
“We gaan surfen. Tot vanmiddag!”
De club loopt in hun voorgeschreven kledingvoorschrift langs het zwembad waar Rob en ik in de zon liggen.
“Tot vanmiddag!”, antwoorden wij en duiken weer in onze boeken. Ik kijk naar mijn voet die inmiddels weer volledig intakt is, de vuile verrader.
De zon staat hoog aan de hemel en het is warm.
“Wil je nog een biertje?” vraag ik.
“Nee, ik heb last van mijn maag, ik ga even op bed liggen”, antwoord Rob, geeft mij een schouderklopje en sloft langs het zwembad naar onze kamer.
Vrijdag. Om half zes ’s ochtends wordt ik wakker van gekreun. Rob ligt in phoetushouding op bed met een lijkbleek lichaam te kreperen van de pijn. Hij heeft zijn armen om zijn buik geslagen en kan van de pijn niks zeggen. Ik schrik me het lazerus.
“Wat is er”, vraag ik verschrikt.
“Mijn buik”, antwoord Rob met samengeknepen kaken.
“Kom op, we gaan naar een dokter”, zeg ik en tien minuten later zitten we in een taxi naar de enige westerse kliniek die Kuta rijk is. Ik besteed een tijd in de wachtkamer. Rob komt duidelijk gekalmeerd uit het kantoortje van de dienstdoende arts gelopen. Na een injectie en wat pillen is de pijn weg en rijden we terug naar ons hotel, waar we ontbijten.
Zaterdag. Een nest jongen honden blaft ons in de Balinese vroegte wakker. We douchen ons snel en kleden ons aan. Ons busje staat al klaar om ons naar een klein dorpje aan de kust te brengen, vanwaaruit we de boot naar het eiland Nusa Penida nemen. De boottocht is spectaculair en relaxed tegelijkertijd. We kleden ons allemaal om en trekken ons duikgereedschap aan. Met een opluchting trek ik mijn flippers aan. “dankjewel voet”, denk ik nog.
Vervolgens gaan we duiken, geen gezeik.
Zondag. Rob, Olivier en ik liggen met z’n drieën aan het zwembad, omdat we geen zin hebben om weer naar het strand te gaan. We zijn alledrie diep in onze boeken verzonken, maar de zon staat hoog aan de hemel en het is warm. We duiken met z’n drieeën in het zwembad. Terwijl we op ons gemak ronddobberen springt Rob als door een wesp gesproken op de kant en kruipt met zijn armen om zijn buik geslagen kreunend van de pijn terug op zijn ligstoel. Olivier en ik krabbelen verschrikt uit het zwembad. We hebben nu al twee keer een bezoek aan de kliniek gebracht, maar Rob’s klachten worden steeds erger. Bleek van de pijn en totaal verkampt ligt hij in phoetushouding op het ligbed. Hij weet van de pijn niet meer waar hij het zoeken moet. Olivier en ik zitten er machteloos naast en kijken er naar. Na een paar minuten zakt de pijn en gaat Rob terug naar de kamer om op bed te liggen. “Dit kan zo niet langer”, bedenk ik me. Bali is wel de laaste plaats waar je dit soort acuute gezondheidsklachten wilt krijgen. Ik loop achter Rob aan naar onze kamer.
“Rob, we gaan hier niet mee door”, besluit ik. “ik ga naar een reisburo om onze tickets om te zetten. Ik wil direct terug naar Singapore, zodat je naar een fatsoenlijk ziekenhuis kan”
Na enige afwegingen besluit Rob dat hij het met me eens is. Ik loop direct naar de stad waar ik gelukkig alle medewerking van het plaatselijke reisburo krijg en binnen een kwartier zijn onze tickets omgeboekt naar een vlucht die over anderhalf uur al vertrekt. Ik ren terug naar ons hotel om onze tassen te pakken. Ik vlieg met een andere maatschappij dus vertrek twee uur eerder dan Rob. Dat komt goed uit, want dan kan ik in Singapore vast de auto halen, die ik thuis had laten staan.
Vier uur later parkeer ik mijn auto op het parkeerterrein van terminal 1 van Changi Airport. Rob komt samen met Up door de douane gelopen. Rob ziet lijkbleek en loopt krom van de pijn. We rijden snel over een donkere en verlaten snelweg naar huis waar ik Up afzet, en vervolgens rijden we door naar het ziekenhuis, waar Rob zonder verdere vertraging voor onbepaalde tijd wordt opgenomen. Wanneer ik hem rond middernacht wat spullen ga brengen ligt hij al verbonden aan tal van infuzen. De nachtverpleegster meldt ons dat het maar goed was dat we naar het ziekenhuis zijn gekomen. Hoewel ik Rob met gemengde gevoelens in het ziekenhuis achterlaat ben ik enorm opgelucht dat hij nu in goede handen is. En hij ook!
Maandag. Terwijl ik de post nakijk stuit ik op een onplezierige verrassing. Er ligt een brief in mijn bus die mij erop wijst dat er een aangetekend stuk voor mij klaarligt op het postkantoor. Wanneer ik dat stuk ophaal blijkt het een brief van de Singapore Traffic Police te zijn. Ik heb een overtreding van de wet begaan. Het zweet breekt mij uit, want als er één land ter wereld is waar je nooit de wet wilt overtreden, dan is het Singapore wel! Voor het eerst wordt ik persoonlijk geconfronteerd met de zware strafmaat die Singapore voert, en waar ik zelf altijd voorstander van ben geweest.
Naast een boete van 200 dollar worden er 12 strafpunten op mijn rijbewijs bijgeschreven. De begeleidende brief laat geen misverstanden bestaan over wat dat voor mij inhoudt: Deze 12 strafpunten zijn direct het maximaal aantal toegestane punten. Wanneer ik er ook maar een half punt bij haal in een periode van een jaar vanaf vandaag, zal mij definitief en permanent de rijbevoegdheid ontzegt worden. Dit moet een fout zijn. Mijn auto rijdt niet harder dan 200 kilometer per uur en ik heb nog nooit met 30 glazen bier op achter het stuur gezeten. Verbleekt en slikkend zoek ik in de brief welke gruwelijke overtreding ik dan wel begaan heb. Ik heb, om drie uur ‘s nachts, op Bukit Timah Road door rood licht gereden.
Lekker, zo’n weekje Bali. Moeten we vaker doen.
|
|